Ogen staren me aan vanachter bijna alle ramen in elke straat. Kleine, zwartglanzende oogjes die voordeuren bewaken, de straat afspieden, op zoek naar wie er – pas achteraf gezien – niet thuishoorde. Soms hebben ze zich verscholen in de deurbel, maar steeds vaker staan ze als een bedrieglijk schattig wezentje achter het glas in de vensterbank. Ik zie je, zeggen de ogen koeltjes, ik zie je – haal je maar niks in je hoofd, blijf hier niet staan, loop maar door. Ik ben niks van plan, althans niks onwettigs, maar de oogjes denken daar anders over. Ze zien iets wat ik zelf niet zag.
Op duizenden uren bewegend beeld zie ik nu mijn duistere zelf vanuit elk denkbaar gezichtspunt door straten scharrelen, langs voordeuren schichten, om hoeken schuifelen. Soms scherp maar vreemd vervormd, vaker grijzig, gruizig, mijn smoel een spookachtig bleke vlek boven een diepzwart tenue. Wat doe ik daar? Waarom stop ik soms om schijnbaar naar de lucht te kijken? Waarom houd ik halt bij een willekeurige voortuin en maak ik een foto?
De ogen zien alles. De ogen weten dat ik niet zomaar door de wijk dwaal, dat is namelijk niet de bedoeling, dat doet niemand, ik móet iets van plan zijn. Ik verdenk mezelf er nu ook van dat ik niet veel goeds in de zin heb, dat ik wel eens zou kunnen gaan handelen naar de kant van mezelf die ik nu door electrische ogen in al zijn gore, groezelige glorie zie. Ik krijg zin om me over te geven aan mijn donkerste impulsen, me naar de zelfkant te laten afglijden, maar het is niet meer nodig.
De honderden priemende ogen drijven me langzaam maar zeker als pijnlijk vuil naar de rand van mijn eigen blikveld. Ik knipper, één traan spat op de grond, en weg ben ik – voor altijd opgelost in het stoeptegelkleurige gruis van beelden die niemand ooit nog zal bekijken.



